Jan en ik gaan drie weken naar Cuba. Genieten van de zon, de zee, de kleuren, de mensen, de muziek. We zijn benieuwd wat we gaan tegenhouden en houden jullie via deze site op de hoogte.

donderdag, december 30, 2004

Havana Siempre

Havana is de enige echte grote stad in Cuba. Toen we met de taxi Havanna naderden, zagen we de skyline van de stad voor ons opdoemen. Dit was een metropool, qua sfeer vergelijkbaar met Parijs en London. Brede boulevards, "druk" verkeer, stoplichten, veel mensen op straat, wolkenkrabbers en overal verval. Het moet begin 1900 zo'n rijke stad zijn geweest, decadent zelfs. De huizen barsten van de zuilen, glas-in-lood ramen, en stucornamenten. Maar van de huizen buiten de wijk Havana Vieja (oud Havana) is alle verf afgebladderd, zijn de smeedwerken balkonnetjes verdwenen, zitten er gaten in het wegdek en is er van veel huizen alleen nog maar de facade over.

Restauraties
In Havana Vieja heeft echter een charismatisch architect zich ten doel gesteld alle oude huizen in het centrum te restaureren. Het geld dat iedere bar, elk restaurant en ieder toeristisch tentje vervolgens opbrengt, gaat naar zijn organisatie. Hij restaureert daar vervolgens weer nieuwe huizen van. Op deze manier betaalt iedere toerist mee aan de wederopbouw van de oude stad. En het resultaat is werkelijk schitterend en volgens ons ongeevenaard. We hebben een hele dag door de wijk gezworven, binnenplaatsje op en af, trappetje omhoog en omlaag, barretje in en uit. En maar fotograferen... Net als al die andere toeristen. Want iets anders zie je in Havana Vieja niet. De gewonen Cubaan die er niet voor zijn werk hoeft te zijn, wordt er waarschijnlijk geweerd door een van de vele politieagenten die er rondloopt. En ze hebben er ook niets te zoeken, want met hun Cubaanse pesos kunnen ze hier niets kopen. Havana Vieja is vooral voor de toerist en voor hen die de toeristen vermaken: muzikanten, barpersoneel, souvenirverkopers en toiletjuffrouwen.

FF bellen
Toerisme een heel belangrijke bron van inkomsten voor de staat. De toerist is hier heilig en er is zelfs een apart geldsysteem voor ontwikkeld. Hoe sterk dit doorwerkt in het dagelijks leven, ondervonden we toen we even wilden bellen naar het vliegveld. Aan de Cubaanse mensen voor ons in de rij vroegen we of het een munttelefoon was, en even maakten we een klein praatje met ze. Ineens stond er een politieagent naast ons die naar het ID van de jongen vroeg. En pas toen ik met klem benadrukte dat ik niet met hem gepraat had, alleen gevraagd of dit de goede rij was, gaf hij hem zijn ID weer terug. Gewonen Cubanen mogen buiten hun werk eigenlijk niet met toeristen praten. De staat is bang dat de toerist wordt lastig gevallen door zgn jineteros (die zich aan toeristen vastklampen en zich vervolgens door hen laten feteren) en daardoor een negatief beeld van Cuba krijgt.

Volveran! (we zullen overwinnen)
Juan is een man van 64 jaar met een grijze baard, slimme bruine ogen en een casa particulare. Wij huurden er een van de drie kamers en bleven iedere keer na het ontbijt uitgebreid met hem praten. Hij vond het heerlijk met ons over politiek en over de situatie in zijn land van gedachten te wisselen en als we hem niet onderbraken kwamen we er nauwelijks weg. Zo vertelde hij onder meer over de vijf huidige helden van de revolutie die we in ieder dorp tegenkwamen op posters en muren. Zij waren als spion geinfiltreerd in het CIA netwerk in Miami dat Fidel ten val wil brengen, en kwamen er achter dat er een aanslag op Castro voorbereid werd. Castro toonde vervolgens in het openbaar aan dat hij gevaar had gelopen, maar dat hij dankzij zijn spionnen op de hoogte was van iedere stap van de imperialistische vijand. Deze spionnen werden hierna door de Amerikanen ontmaskerd en voor 5 tot 25 jaar opgesloten in Amerikaanse gevangenissen. En in Cuba zijn deze mannen nationale helden geworden die dankbaar als propagandamiddel voor de hier altijd voortdurende "revolutie" worden ingezet: Volveran!

donderdag, december 23, 2004

Vrienden maken

Inmiddels zijn we ruim twee weken in Cuba. En we hebben al heel wat verschillende mensen ontmoet. Ieder vertelt zijn eigen verhaal, vanuit zijn eigen visie op de wereld. We luisteren en vullen het aan met onze eigen ervaringen en bespiegelingen. En langzaam vormt zich een totaalbeeld van het land, met natuurlijk nog steeds vele gaten.

Rafael is de vrolijk lachende eigenaar van Los Vitrales, een van de mooie koloniale huizen waar we overnacht hebben. Hij spreekt redelijk Engels maar wil ons ook graag Spaans leren. Dus in zijn moederstaal legt hij ons uit wat we allemaal moeten bezichtigen in Camaguey. Het meeste kunnen we best goed volgen en als het even niet lukt gaat hij over op Engels. Als hij hoort dat Jan architect is, gaat hij helemaal los. Want ook hij is architect, gespecialiseerd in het restaureren van de vele koloniale huizen in Camaguay. Hij vertelt enthousiast over de prachtige huizen, kerken en theaters en verontschuldigt zich vervolgens voor zijn vele gebabbel. We glimlachen beleefd en bedanken hem voor alle informatie. Maar in ons langzame tempo kunnen we nooit allemaal bezichtigen wat hij ons heeft aangeraden.

Manuel en Miguel zijn twee muzikanten die met 11 anderen aan het oefenen zijn in de kleine woonkamer van een woonhuis. Ze gebaren dat we naar binnen moeten komen en we genieten twee uur lang van de muziek en de gastvrijheid. Met wat glaasjes rum nemen we afscheid van alle muzikanten en spreken af met de twee jongens de volgende dag samen naar het strand te gaan. We communiceren met handen en voeten, meestal in ons gebroken Spaans en soms in het Engels. Theatersportervaring komt hierbij goed van pas wat de gesprekken steeds een vrolijke wending geeft. We lachen samen heel wat af. Beide jongens waren al jong vader, wat hier heel normaal is, en hebben kinderen bij verschillende moeders. Ze zijn er trots op muzikant te zijn, ook al verdienen ze daardoor maar 5 Cubaanse dollars per maand.

Helga ontmoeten we in Vinales waar ze ineens op de veranda van ons onderkomen staat. Ze blijkt in Havana beroofd en in elkaar geslagen te zijn en zit vol blauwe plekken. Ze is een jaar of 55, een oostduitse voormalig olympische zwemster die al heel wat van de wereld heeft gezien en haar mannetje wel staat. Maar nu is ze behoorlijk van slag. We nemen haar mee naar een cafeetje om wat te drinken en met haar te praten. Deze schaduwkanten van Cuba staan niet in onze Lonely Planet en worden vooralsnog angstvallig verzwegen door de toeristische industrie. Maar het schijnt ook hier steeds vaker voor te komen...

vrijdag, december 17, 2004

Percussielessen

Alexei sprak ons aan in het parque Cespedes. Waarschijnlijk omdat we met onze net gekochte ritmestokjes op straat wat cubaanse claveritmes uitprobeerden. Hij zei dat hij muziekleraar was en met zijn groep al in verschillende landen over de hele wereld had opgetreden. En hij wilde ons graag wat percussieles geven. Want "you are rastafara man" zie hij tegen Jan terwijl hij naar Jan's krullen wees. "We are friends, from the hart, you know. I will do it for free." Jans ogen begonnen te glimmen bij het idee aan percussieles en we maakten een afspraak om 20.30, na het eten. Dan zouden we een uur hebben en daarna de amsterdamse vormgevers Anton en Rene zien in Hotel Grande.

We stonden stipt op tijd op de afgesproken plek, en vijf minuten later kwam Alexei er aan gelopen. "Ok man, I will take you to my home. No problem man. We are rastafara man, no problem." En hij leidde ons weg van het centrum, een donker en onverlichtte straat in. Jan en ik gingen wat dichter bij elkaar lopen en vroegen of het nog ver was. "No far man, no problem, my home is no far." Af en toe doemden er wat mensen op in de autolichten van een passerende wagen en we liepen maar verder en verder. Op deze manier zouden we nooit onze afspraak om 21.30 halen...

Op een gegeven moment waren de straten weer verlicht. De huizen hier waren veel bouwvalliger. Op straat speelden wat kinderen. "Everyone knows me here" zie hij, en ik rook een alcoholwalm die uit zijn mond kwam. Ineens begreep ik ook waarom hij een paar woorden telkens weer herhaalde: hij was dronken.

Voor een kleine bouwval stonden we stil. Woonde Alexei hier? We voelden ons erg ongemakkelijk en twijfelden om naar binnen te gaan. "Come in, come in, mi casa tu casa." In het kleine kamertje stond een tv en een bank, verder niets. Hij stelde ons voor aan zijn moeder, die vandaag toevallig net jarig was, en liet ons trots zijn drie maanden oude kind zien. Langs een gangetje met een bed, waarop zijn zieke vader lag, kwamen we bij een derde vervallen kamertje met bed. Hier werden we neergezet en kregen we een groezelige alluminium nap met aardappelsoep in onze handen. "No problem man, we are rastafara"

Het voelde zo ongemakkelijk, de armoe, het verval, de dronken man die zichzelf maar herhaalde, wij met z'n tweeen als debielen op het echtelijke bed, netjes in de kleren, de camera aan de riem. Alexei trok wat conga's te voorschijn en probeerde er wat ritmes op te toveren. Maar zijn beloofde percussietalenten vielen tegen.

We wilden hier weg. Het gebonk op de instrumenten maakte het kind onrustig en zijn vrouw was al een paar keer langsgelopen met een afkeurende blik. Toen we opstonden vroeg hij toch om geld. Voor melk voor zijn kind, en voor een cadeau voor zijn moeder. Of misschien gewoon voor drank voor hemzelf? Tien dollar, en hij zou ons terugbetalen. Tien dollar is veel geld, ook voor ons. En zeker voor de Cubanen hier. Hun maandsalaris is vijf dollar. We gaven hem daarom drie dollar, maar dat vond hij niet goed. Hij begon te smeken, wilde met ons mee naar een nachtwinkel, zodat we daar melk konden kopen. Inmiddels was ons geduld op, en tegelijk voelden we ons erg ongemakkelijk. We zijn maar weggelopen, trillend van de spanning en met bonkend hart. En hebben Alexei achtergelaten in zijn huisje. Jee, wat is dit moeilijk...

zondag, december 12, 2004

Ontmoetingen

Op het parque Cespedes speelt het cubaanse leven zich voor je ogen af; oude 'buena vista muzikanten' die verlegen amerikaanse toeristen proberen te vermaken, opdringerige taxichauffeurs op zoek naar een klant, maar ook een wat doorgedraaide zwarte schoonheid die zich voor de ogen van iedereen plotseling van haar zwarte jurk ontdeed. Vanaf het balkon van het Hotel Grande konden we precies volgen hoe ze door iedereen nagekeken werd. Even later zagen we haar in haar slipje tussen twee politiemannen een taxi ingeduwd worden.
Ook Leon, de kok van het hotel Grande, sprak ons op dit plein aan. Dit leidde tot een bezoekje aan de groentemarkt, een bezichtiging van het atelier van een schilder/dichter en een adresje voor het avondeten in een casa particolare. Toen we daar 's avonds aankwamen bleker er al twee Nederlanders te zitten. Met de grafische ontwerpers uit Amsterdam klikte het wel en met hen en hun cubaanse amigo zijn we tenslotte weer tussen de dansende cubanen beland. Het afspraakje dat we maakten voor de volgende avond half tien liep echter mis... wordt vervolgd

Bailar in Santiago

AANKOMST
We zijn erdoor! We zijn in Cuba! Het was even zweten bij de douane, vingers gekruist en dan ook nog een heel lang in de rij wachten. Maar uiteindelijk ging Jan er in een recordtijd doorheen (en kreeg ik nog een compliment voor los ogos azuros toe). Met een gedeelde taxi naar het "luxe" Pernik hotel in Holguin waar we doodmoe en met luide televisiegeluiden uit de kamer naast ons in slaap vielen.

Het hotel had een jaren 70 uitstraling met een vervallen grandeur en tegenvallende kamers. Drie sterren? Misschien voor de enorme uitgestrektheid van het gebouw. Je kon er makkelijk verdwalen in de vele gangen en zalen...

HIEP HOERA
En toen was Sabine jarig. Op een klein rond tafeltje had Jan cadeautjes uitgestald, samen met een prachtig blad van een van de bomen daar. Om 9.00 werd er op de deur geklopt. Aan de deur stond een van de hotelbedienden met twee Pina Coladas. Die had Jan de avond tevoren nog stiekem voor mij besteld. (Nog nooit zo vroeg aangeschoten geweest).

Buiten ruik je overal de geuren van dieseldamp, je ziet Amerikaanse sleeen voorbijschuiven en sloffend door de warmte verkenden we de oostblok-achtige woonwijken (compleet met Cubaan die ons in het duits aansprak en bij navraag zijn voor het huis staande motor zelf nog uit de DDR had ingevlogen). In tegenstelling tot de weelderige markten in Azie, is hier vrijwel niets te krijgen; in de bijna lege standjes zijn wat zielige tomaatjes, wat blaadjes sla en gebruikte plastic autootjes te vinden. Alles alleen voor het locale geld te koop.

Via Holguin zijn we in een koude bus naar Santiago de Cuba gereisd. Rafael, een Cubaan die ons bij het busstation aansprak, had ons een adresje gegeven van een casa particulare in Santiago. Bij het busstation in Santiago krioelde het van de touristenscouts die wat van ons wilden. Gelukkig zagen we tussen alle hoofden ineens een bordje "Yann & Sabina" dat een verlegen Vladimir omhoog hield. Hij leidde ons naar een prachtig koloniale "casa" met een rustig binnenplaatsje, weg van de dieseldampen.

Even de stad in voor een hapje ontaarde in een avondje stappen met Cubaan Freekeys. We belandden in een salsatent waar prachtige dames me in het Spaans Happy Birthday toezongen. Natuurlijk moesten we ook dansen, tot we er bezweet bij neervielen.
We zijn nog maar twee dagen onderweg en hebben nu al zoveel meegemaakt en zoveel mensen ontmoet. Dat belooft wat voor de rest van de dagen.


maandag, december 06, 2004

Jan & Sabine in Cuba

Nog een volle dinsdag en dan gaan we op reis. Naar Cuba. Hopelijk worden we toegelaten, want Jan heeft slechts een tijdelijk paspoort en volgens het Cubaanse consulaat wordt je dan in Cuba geweigerd. Wat we dan gaan doen is nog een vraag. Misschien ergens anders naar toe? Misschien gaat Jan terug en blijf ik alleen, wachtend op Andrea die 15 december arriveert. Vooralsnog gaan we er vanuit dat alles voorspoedig verloopt en dat we donderdag samen mijn verjaardag vieren op het prachtige Cubaanse strand ergens ten noorden of zuiden van Holguin...
Cuba, here we come!